Eeuwenlang hebben zij zich verzet

Met grote wallen tegen de zee

Op modder en gesterkt door varkensvet

Leden zij het polderleven gedwee.

 

Gods grens tussen water en land

Werd echter zo bruut verkracht

Wat als oceaan bedoeld in wijze almacht

Werd door lompe bataven bemand

 

Hoe subtiel richt zich nu de toorn gods

Op de vileine hebzucht van de germaan

Niet het geweld van een beukende oceaan

Richt zich op de aangeslibde schots

 

Maar een lange en gepassioneerde regen

Direct ontketend uit gods schoot

Zal de aangespoelde hollander wegvegen

En verlagen tot der krabbe brood

 

Vluchten zij niet met nieuwe vrees

Dan zal het toch al zo weke vlees

afbladderen van de botten

Tot voedsel van pieren of gewoon rotten.

 

En nu: de kloten van de boer

wiegen zacht in het wassende water.

het witte gezwollen lijf hangt stil

temidden van het vredige geklater

 

 

28-12-04