gedachten

 
 
    home / contact
 

Hierbij wat representatieve gedachten van mij of van een ander. Ze geven mijn visie weer op een auteur of een thema.

  1. Ziel en geest. Of zo iets bestaat is niet relevant. Alleen een fundamentalistisch naturalisme begrijpt dit niet.
  2. ""Denken", zoals de kentheoretici dat begrijpen, vindt eigenlijk nooit plaats: het is een absoluut vrijblijvende samenstelling, verkregen door één element uit het proces te selecteren en de rest te elimineren - een kunstmatige aanpassing ten einde iets te begrijpen.... "De geest", iets dat denkt: soms zelfs "de abslute en pure geest" - dit concept is een geëvolueerd en secundair product van foutieve introspectie die gelooft in "denken": in de eerste plaats wordt een activiteit voorgesteld die eigenlijk helemaal niet plaats heeft, "denken", en ten tweede wordt een subject-substraat voorgesteld waarin elk denkproces zijn oorsprong zou hebben, en verder nergens - dat wil zeggen, zowel de activiteit als de actor zijn fantastisch". Citaat: Friedrich Nietzsche.
  3. Wat is mijn ziel? Een betere vraag is: waar is mijn ziel? Mijn ziel is waar mijn adem in is, wanneer ik ademloos achter blijf. Mijn ziel is wat ik nooit had, tot ik het verloor. Tragiek van de filosofie: te vernietigen wat het wil bevriezen.
  4. Wat wij geest noemen zit niet in ons hoofd of in onze hersenen. Je kunt beter zeggen dat de geest, of wij zelf als persoon, alleen maar bestaan in de wisselwerking tussen lijf, cultuur, zintuigen, omgeving en anderen. Buiten interactie tussen deze elementen, bestaan “wij” niet. De geest is daarom een proces en niet een realiteit.
  5. De platoonse academie was opgericht om een oase te zijn, een immuniteit voor het gekrakeel van de agora. In deze oase kon de ziel ademen, herinneren, zichzelf en andere zielen genieten. De moderne universiteit is een agora op de agora geworden. Het was al een agora omdat er intern een permanente dwang tot rechtvaardiging tegenover anderen gold. Het is nu agora op de agora geworden omdat wetenschappers nu verheven zijn tot priesters, niet van een verheven waarheid, maar als de technici die ons moeten verzekeren van een veilig, lang en bovenal verantwoordelijkheidsloos bestaan. Met argusogen loopt het vulgus rond op het academieplein en gilt, als aandeelhouders, om nieuw divident. Het nieuwe opium voor het volk: waar intentionaliteit, angst en moed was, zal brein, zorginstelling en excuus zijn.
  6. Waarheid in gradaties. Met het besef van de waarheid is de notie van een absolute waarheid welhaast onvermijdelijk. Vroeg of laat waagt een strenge geest zich aan de these dat een abstrahering van de abstractie nog warer dan waar is. Waarheid wordt dan los gekoppeld van zijn sociale functie. Uit haar kan dan weer een ander type gemeenschap, die van de ingewijden en de fundamentelen, ontstaan. Zij zullen zich autoritair opstellen ten opzicht van de onwetenden.
    Daarnaast brengt de waarheid de grondmogelijkheid van de teleurstelling met zich mee. Zoals in de waarheid de gerichtheid op criteria zit, een regel, wiens horizon genaturaliseerd kan worden tot absolute waarheid, kan de weerbarstigheid van de werkelijkheid ten opzichte van de waarheid, het nooit volledig voldoen aan de regel, leiden tot het totale verlies aan geloof in de waarheid. “Alles is subjectief”, is niet onwaar, maar dodelijk voor de waarheid. Hiermee dompelt men zich onder in het voorportaal van de waarheid.
  7. Met de afschaffing van de waarheid wordt ook het onderscheid tussen binnen en buiten, tussen immanentie en transcendentie, afgeschaft. Hier is meer aan de hand dan alleen maar de bevrijding van rationalistisch fundamentalisme of het afwerpen van het juk van ongefundeerde autoriteiten. Deze afschaffing is bovenal uitdrukking van het primaat van een type mens dat niet in staat is tot de ervaring van transcendentie als zingevend. Dit type mens zoekt alleen bevestiging, immanentie. Al het mogelijk transcendente moet geneutraliseerd worden. De tourist is de exemplarische immanent. De tourist lijkt het externe op te zoeken, maar accepteert alleen dienstbaarheid aan zijn eigen behoeften, veiligheid en verwachtingen. Zelfs waar tourisme avontuur beoogt, projecteert het zichzelf in de nieuwe omgeving, maakt er een pretpark van.
  8. Pragmatisme: een differentie is onzinnig, niet relevant als er geen duidelijk verschillend effect is. Iets is daarmee zijn effect. Geloof is onzinnig als het niet leidt tot opmerkelijk ander gedrag. Een christen is alleen christen als in zijn gedrag het volgen van Christus blijkt. Zo zijn bedoelingen betekenisloos als hier geen bijbehorend gedrag uit volgt. "Ik heb je pijn gedaan, maar bedoelde het niet zo", kan alleen volgehouden worden als de pijn zo veel mogelijk wordt verzacht en de daad gecorrigeerd. De geuite bedoeling is anders alleen maar een excuus. Als de dader tijdens de daad wist van het effect, is hij een leugenaar. Je kunt niet iets bedoelen wat je willens en wetens niet hebt gedaan en bijgevolg: je kunt niet iets niet bedoeld hebben wat je willens en wetens wel hebt gedaan. Psychologisch is hier één en ander tegen in te brengen maar in een wereld van gelijkwaardige, verantwoordelijke en aansprakelijke burgers moet aan het adagium "een man een man, een woord een woord", worden vastgehouden. Hiermee worden individuen namelijk opgevoed tot het volgen van regels die hen in een identiteit van zelfbeschikking brengen. Vrijheid ontstaat door je te verplichten aan het woord. Vrijheid bestaat dus niet in de oorzaak maar in het effect.
  9. Zijn en waarheid. Toen waarheid niet langer het gebeuren was waarin iets zich toont, de onverborgenheid, maar de identificatie werd met datgene wat is, werd het zijn gelijkgesteld met de voorstelling. De centrale gedachte van Heidegger: zijn is niet dat wat is, maar de ruimte waarin, onder andere, iets zich voor iets anders toont. Na Heidegger is ook dit terug getrokken in het voorstellingsschema. Het "onder andere" is doorgestreept. Interessant is wat er naast deze ruimte nog over het zijn gezegd kan worden. Bij Heidegger vinden we hier het idee van de ontologische differentie: het Dasein is het zijn wat zich tot het zijn, dat van hem zelf en dat van andere zijnden, verhoudt. Het Dasein gaat het om het zijn en dat is niet alleen de juiste voorstelling van dat wat is. Dit zijn is ook het zijn van dasein zelf: de betrekkingen waarin het staat, de tijd die we als Dasein hebben, het eindig zijn en het in temporele verbanden staan. Maar ook de identiteit, dat als wat we zijn in verhoudingen met andere zijnden, de mens, de naam, de rol en het zelfbeeld. Een laatste die hierin moet worden genoemd is het ontische: het niet benoemde, niet als voorstelling zich in mij geldende zijn. De bron waaruit ik denk, voel en handel. Deze doet zich voor in de basale affectie, de kriebel, de honger, de lichte spanning in mijn nek, de lucht die door mijn neusvleugels waait. Nu er een grote kloof is met de gesanctioneerde voorstellingen die als het ware en enige Zijn gelden, is er een cultuur ontstaan waar het ontische ondenkbaar en onbeheersbaar wordt. De gevolgen voor zowel het ontologische als het ontische kunnen rampzalig zijn. Beide worden immune werelden waar individuen zich in verliezen, onmachtig zich te vormen tot het dubbelwezen dat we zijn. Dionysos en apollo.